
![]()
Klik.
'Dit is het antwoordapparaat van Eleanor. Je
kan je boodschap inspreken na de pieptoon.'
Pieiep.
'Hallo, met Cindy. Ik ben
weer eens verliefd. Op een hele rustige jongen, dit keer. Ik zag hem net op
televisie, maar het is niet zoals met de vorigen. Hij ziet eruit als een
normale jongen, zonder psychische problemen of crises, zoals met die
transeksuele, biseksuele travestiet van vorig jaar. Dat was nog eens een ramp.
Ik weet bij God niet meer waarom ik daar ooit aan begonnen ben. Op de een of
andere manier word ik altijd verliefd op mensen die eigenlijk obereikbaar zijn.
Dat is dus ook weer het probleem met die jongen die ik net op televisie zag. De
kans dat ik hem toevallig tegen het lijf loop is nul en ik zou niet weten hoe
ik aan zijn adres zou moeten komen. De politie wist zijn naam niet eens, die
wilde ze nu juist van mij weten. Het was namelijk een politiebericht. Hij zag
er zo vredig uit, zo sereen, zo rustig. Tenminste, hij zag er rustig uit, omdat
hij niet bewoog. Je had hem moeten zien: zijn ogen half gesloten, zijn lippen
een stukje vanelkaar. Ontzettend sexy. Die wond op zijn voorhoofd verpestte het
een beetje, maar ik viel toch als een blok voor hem. Wat ontzettend vervelend
dat hij dood is. Volgens mij waren we voor elkaar voorbestemd, maar is er
ergens iets misgelopen, waardoor we elkaar nooit hebben ontmoet. Ik voel me
schuldig. Zou het door mij komen dat we elkaar gemist hebben en dat hij daar
dood op televisie lag? Dat zal ik me altijd af blijven vragen. Oh, ik ga nu
snel ophangen, want ik zie hier net een ontzettende knappe jongen bij een
talkshow over satanisme. Wedden dat ik hem kan bekeren? Nou, doei! Tot morgen
dan maar weer. Dan kom ik meteen even langs om het bandje te verwisselen en je
urn af te stoffen. Dag, lieverd. Rust zacht.'

Liefdestango in de
Zombiedisco
Zijn ogen staarden me
intens aan vanuit een donkere hoek van de discotheek. Ze lagen op een plankje
langs de muur , naast een halfvol glas bier. Hij wilde me duidelijk geen
seconde uit het oog verliezen, ook niet nu hij even naar de wc was. De lidloze
bollen van een geleiachtige substantie sloegen mijn sensuele bewegingen op de
dansvloer nauwkeurig gade.
Het duurde niet lang voordat mijn bewonderaar terugkeerde van de
odyssee ter verlichting van zijn blaas. Hij pakte zijn kijkers van het plankje
en propte ze terug in hun oogkassen. Ze rolden even rond om hun goede positie
te vinden en daarna richtte hun blik zich weer strak op mij. De hemelsblauwe
irissen deden mijn hart ontvlammen. Snel greep ik van een omstander een glas
slakkensap en goot het er overheen. Sissend doofde het vuur, maar er bleef een
warme gloed achter, die mijn benen deed trillen als gelatinepuddingen. Ik viel
daardoor op de grond, maar poogde, al liggend, toch nog enige sensuele
bewegingen bewegingen te maken, om de aandacht van mijn bewonderaar niet te
verliezen.
Bezorgd haalde hij zijn wenkbrauwen op, die hij kennelijk bij de
garderobe had ingeleverd aan het begin van de avond, en staarde me met open
mond aan. Of, nee, toch vooral met zijn ogen. Zelfverzekerd stapte hij op me af
en stak een hand naar me uit. Ik herkende de hand: het was de mijne. 'Bedankt,'
zei ik. 'Die was ik al de hele avond kwijt. Hij zal er wel tijdens het dansen
zijn afgevlogen.'
Hij trok me overeind en sloeg zijn arm om me heen. Hij had er
nog maar één, maar dan wel een mooie. We begonnen een gespassioneerde tango.
Onze monden vonden elkaar, in de lagere regionen van elkaars gezicht, en onze
tongen raakten verstrengeld, om nooit meer los te geraken. Het was dan ook met
grote moeite dat ik uiteindelijk de Grote Vraag over mijn lippen wist te
krijgen: 'Wouw grwaf ow hewt mwijne?´

Een druppel transpiratie
rolde traag langs de wang van de schrijver en viel op het toetsenbord van zijn
tekstverwerker. Zijn laatste sigaret was al een paar uur geleden opgebrand.
Zijn lichaam schreeuwde om nicotine en zijn blaas stond op springen, maar hij
kon zich niet vanachter zijn bureau vandaan rukken. Zijn handen vlogen als
bezeten over de toetsen. 'Er gaat iets helemaal mis,' dacht de schrijver in
paniek.
Het verhaal was begonnen zoals gepland, als een nogal standaard
horror-gebeuren: een boosaardige psychopaat was aan het moorden geslagen en
moest gestopt worden door een groepje dappere jongeren. Het merendeel van de
tieners was in de loop van het verhaal op gruwelijke wijze afgeslacht, maar ook
dat had nog tot de planning behoord. Toen de schrijver echter het verhaal af
had willen ronden was er iets vreemds gebeurd, iets verontrustends. De heldin
van het verhaal had het opgenomen tegen de moordenaar en het was de bedoeling
geweest dat de laatste in dit tweegevecht op bloederige wijze aan zijn eind zou
komen. Maar het was op onverklaarbare wijze anders gelopen: de heldin was
gespietst en de moordenaar was de duistere nacht in verdwenen. Nog steeds
snapte de schrijver niet hoe dat had kunnen gebeuren. Herschrijven kon hij het
niet meer. Hij kon alleen maar vooruit. Improviserend had hij een bijfiguur
achter de moordenaar aangestuurd om toch een goed einde aan het verhaal te
breien, maar ook dit personage moest het onderspit delven, evenals de volgende
twee die de hij de moordenaar liet proberen te stoppen. Het leek wel alsof hij
steeds meer de controle over zijn verhaal verloor.
De schrijver was inmiddels toe aan zijn laatste personage, een
twintigjarige jongen. Gewapend met een slagersmes was deze net uit een
afgelegen slachthuis gevlucht. Hij hoorde zware voetstappen achter zich en zag
toen hij, rennend, achterom keek een schim wegduiken achter een struik. Een
paar honderd meter verderop ging hij onderuit, temidden van een aantal grote,
lege kratten. Hij was over een steen gestruikeld. Noch de jongen, noch de
schrijver had die in het schemerdonker zien liggen. 'Kom overeind!' riep de
schrijver hem angstig toe. 'Snel!' Maar nog voor de jongen dat kon doen, viel
er een dreigende schaduw over hem. 'Rennen!' schreeuwde de schrijver. Een
sterke hand greep de jongen bij de nek en duwde hem tegen één van de kratten
aan. De schim lachte honend. 'Steek hem!' gilde de schrijver. 'Het is onze
laatste kans!' De jongen probeerde toe te steken met het mes, maar met een
vlugge beweging greep de schim het uit zijn hand. Hij lachtte honend en drukte
het mes langzaam in de buik van de jongen. 'Genade, genade!' riepen de
schrijver en de jongen tegelijkertijd. De schim begon het mes omhoog te trekken
tot de hele borstkas open lag. 'Aah... wie je ook bent, genade!..' Terwijl de
jongen zijn laatste doodsreutel uitte, barstte de schrijver in snikken uit.
Waarom gebeurde dit? Waar ging dit heen? Hij wilde stoppen met
schrijven, maar het lukte niet. De jongen lag in een poel van bloed op de
grond, de schim was geruisloos in het donker verdwenen. Waar was hij? Hoe
wanhopig de schrijver ook het terrein rond het slachthuis afzocht, hij vond hem
nergens. Plotseling kwamen zijn handen tot stilstand. De schrijver staarde
enigszins verbaasd naar ze. Was het afgelopen? Maar dit was toch geen einde?
Wat was er met de moordenaar gebeurd? Waar was hij?
De deur van de werkkamer vloog open en de schrijver kreeg
antwoord op zijn laatste vraag. Zijn allerlaatste vraag.

Krak.
(Dit ‘gedicht’ kwam tot
stand na nauwe samenwerking met Charlotte van Lijnden - a.k.a. ‘mijn zus’ - met
dank aan Kees Stip voor de inspiratie)

Klik hier voor de Pagina Obscura, met nog vreemdere verhalen...
©2003 Steven van Lijnden