PROLOOG

 

NEW YORK, 42ND STREET

 

De man lag haar tussen de vuilnisbakken op te wachten. Zijn kleren stonken en zaten vol vlekken. Hij had vet in zijn haren gesmeerd en een levensechte baard gekocht. Hij zag er uit als een zwerver en dat was precies de bedoeling.  Naast de vuilnisbak­ken stond zijn winkelwagentje, vol met dozen, dekens en andere rotzooi die nietsver­moedende voorbijgangers als zijn enige bezit zouden beschouwen. De dozen zou hij vandaag pas vullen, maar hij had ze de afgelopen paar dagen ook al in het karretje rondgesleept. Het had een van de buurtbewoners op kunnen vallen als hij ze vandaag pas voor het eerst had meegenomen en het laatste wat hij wilde was de aandacht trekken. Zo min mogelijk mensen moesten zich achteraf de zwerver herinneren.

Hij kwam al een paar dagen naar het verlaten steegje en niemand die hij op weg er naar toe tegen kwam had hem herkend, hoewel hij toch al een paar jaar in deze buurt werkte. Zijn vermomming werkte prima. Mensen liepen met een boog om hem heen  en soms staarde iemand hem met medelijden na. Een enkele keer had hij zelfs tien dollar gekregen, van een patserige kerel die waarschijnlijk aan het meisje dat hij bij zich had wilde laten zien dat hij veel geld en mededogen bezat. De zogenaamde zwerver vond het prachtig om iedereen zo te misleiden. Hij was een verschoppeling, ook zonder de vermomming, maar nu had hij er tenminste zelf voor gekozen om deze positie in te nemen. De mensen op straat minachtten hem of hadden medelijden, maar ze wisten niet wie hij werkelijk was en dat gaf hem een gevoel van macht over hen.

Zometeen zou ze die hoek om komen en het steegje binnen lopen. Bijna iedere avond verscheen ze rond acht uur en klom dan de brandtrap op naar haar kamer op de derde verdieping. Ze nam deze route omdat ze haar opdringerige, oude buur­vrouw wilde ontlopen. Dat had de zwerver in een van de brieven gelezen. Dat vrouwtje was ontzettend eenzaam en had ze niet meer allemaal op een rijtje. Iedere keer als ze hoorde dat er iemand op de gang liep, schuifelde ze naar buiten en probeerde een gesprek te beginnen, ook al had ze eigenlijk niets te melden. Wanneer ze eenmaal iemand in haar greep had, liet ze niet zo snel meer los. Via de brandtrap naar binnen gaan, voorkwam dit soort vervelende ontmoetingen.

 

Ze was laat vanavond. Misschien was het vandaag erg druk in het restaurant waar ze werkte. Maar ze zou nu toch snel moeten komen, anders had ze niet genoeg tijd om zich te verkleden. Ze moest gaan zingen in de nachtclub. Of zou ze vanavond vrij hebben genomen om naar haar vriend te gaan? Dan zou hij het tot morgen uit moe­ten stellen. Dat zou erg vervelend zijn, hij had zich er net helemaal op ingesteld. Hij wachtte.

 

Om half negen kwam ze met veerkrachtige pas op haar gympen de hoek om. Haar  blonde haar zat in een staart deze keer. Een zwarte rugzak hing nonchalant over haar schouder. Ze had een luchtige, witte blouse aan, een stuk comfortabeler in deze hitte dan de kleren van de zwerver. Dat ze ondanks het warme weer een lange spijker­broek aan had in plaats van een korte, was waarschijnlijk te wijten aan het feit dat men in het restaurant wilde dat het personeel zich netjes kleedde. Ze leek in een goed humeur te zijn, ze had een stralende lach op haar gezicht en ze was zachtjes voor zich uit aan het zingen.

'You may be gone, but I am not alone, not completely alone, I still have your shadow on my wall...'

Net als de voorgaande dagen leek ze de zwerver niet op te merken. Of negeerde ze hem? Ze bleef plotseling staan. Hij schrok. Had ze hem gezien? Ze keek peinzend en neuriede wat voor zich uit.

'There you are, sitting by the fire...?'

Ze leek het zinnetje te overwegen, maar schudde uiteindelijk afkeurend haar hoofd. Ze liep naar de brandtrap, weer zachtjes de eerste tekst zingend, en klom omhoog. Ze was een nieuw liedje aan het schrijven. Het zou zijn schuld zijn dat dat liedje nooit af zou komen.

Terwijl ze bezig was het raam van het slot af te halen stond de zwerver op en pakte een grote kartonnen doos en een paar handschoenen uit het winkelwagentje. Hij deed de handschoenen aan en keek om zich heen. Er was niemand te zien. Hij klom haar met de doos achterna. Ze was al binnen, maar ze had het raam wijd open laten staan, waarschijnlijk vanwege de hitte. Hij had het niet beter kunnen treffen.

 Ze stond in de eethoek met haar rug naar hem toe, luider zingend dan net.

'...but I am not alone, not completely alone...'

Hij liet de doos op de brandtrap staan en gleed muisstil over de vensterbank naar binnen. 

'...I still have your shadow on my wall...'

Hij had in de paar keren dat hij door het raam gegluurd had al een goed moord-wapen zien staan. Een grote kandelaar, die op een tafel naast de bank stond. Hij sloop er naartoe. Het zweet stond op zijn voorhoofd. Ieder moment, bij het minste of geringste geluid, zou ze om kunnen kijken en dan was alles verloren.

'... there you are, gliding across the room, kissing me so gently, loving me so sweet...'

Maar ze keek niet om. Ze was boterhammen aan het smeren en bovendien diep in gedachten. Door haar gezang hoorde ze de geluiden achter zich niet. De zwerver haalde voorzichtig de kaars uit de kandelaar en besloop haar. Ze pakte een glas uit een kastje en een pak melk uit de koelkast.

'... someday , I know, you'll be back for your shadow...'

Hij stond nu achter haar, kandelaar in de hand, gereed om te slaan.

'... and take me along with you...'

Ze verstijfde plotseling en stopte met zingen. Pijlsnel draaide ze zich om en staarde hem recht in de ogen. Hij schrok en haalde, versterkt door de adrenaline, met volle kracht naar haar uit. Er was een korte, misselijkmakende bons toen de kandelaar haar hoofd raakte. Ze viel tegen het aanrecht en er begon bloed langs haar gezicht te stromen. Ze zakte met open ogen naar de grond en bleef bewe­gingloos liggen.  De moordenaar staarde een tijdje naar haar en ging bij zichzelf na of hij iets voelde. Wroeging? Verdriet? Walging van zichzelf? Nee, hij voelde niets. Hij had nog nooit gemoord voor een betere reden. Ware liefde. Hij liet de bebloede kandelaar op de grond vallen en ging op zoek naar de spullen waarvoor hij gekomen was.

 

Even later liep hij met zijn volle winkelkarretje over straat. Niemand keek naar hem om. De eerste stap om dichter bij haar te komen, was gezet.

 

 

 

 

 

© 2003 Steven van Lijnden