![]()
Lezer: Het was allemaal zo verwarrend, hè?
Therapeut: Ja, dat is
een goed begin. Daar kunnen we wat mee. Ga daar eens dieper op in.
L: Nou, er waren
woorden. Zoveel woorden waren er. En volzinnen. Dramatisch sterk. Zoiets zeg je
niet zomaar. Dat is puur effectbejag.
T: En wat probeerden die
woorden je te vertellen? Zou je me dat kunnen uitleggen?
L: Het is heel moeilijk.
Even denken... er was een man die Carl heette. Hij
was in therapie bij ene Jeanette, bleek na een erg
onduidelijk begin. En dan was er in dezelfde kliniek een meisje dat Eveline heette en die was dan weer in therapie bij ene
Maria. En Carl en Eveline
hadden gespleten persoonlijkheden, Carl was een hele
familie, een stel ouders, vier zonen en een dochter en alles. Oh, en Eveline worstelde met gevoelens voor een ex van haar en ze
had een heel moeilijke jeugd gehad, iets met incest. En Maria die ging naar een
heks die zei dat Carl een duivel was en vernietigd
moest worden. Er waren werkbijeenkomsten van een groep artsen waarin verslag
uit werd gebracht over Carl, maar ze zeiden soms
dingen die niet klopten of vertelden een verhaal zo gedetailleerd na, pagina´s
lang, dat was gewoon krankzinnig. Verwarrend ook. En al die artsen liepen
zichzelf en elkaar te analyseren met Diekstra en Marcuse en nog meer van dat alles. Iedereen was in
therapie. Of had het moeten zijn.
T: Aha. Hmm. Vertel verder.
L: Nou, ik snapte eerst
niet waar het allemaal om draaide, maar toen werd na een flink aantal
bladzijden duidelijk dat Carl en Eveline
op een avond met elkaar hadden gesexd. Er bleek dus
opeens dat ze een connectie hadden, zeg maar. 'Ha,' dacht ik toen hoopvol. 'Ha,
het verhaal gaat toch nog ergens heen. Er volgt een duidelijk plot, met een
begin en een midden dat geleidelijk naar een einde toewerkt.'
T: Dat luchtte op?
L: Ja, u moet begrijpen,
het hele verhaal werd wel leuk verteld, de chaotische denkwijze van de
personages werd mooi weergegeven met orginele gedachtensprongen en vondsten en meestal treffende beelden,
in afstandelijke, korte zinnen en alles, maar het leek zo doelloos, hè. Waar
het heen ging, dàt wilde ik weten. Maar dat was dus
nergens.
T: Nergens? Leg eens
uit.
L: Op een gegeven moment
dacht ik: 'Ik heb hem door. Alle personages in dit boek, ook de artsen, maken
deel uit van Carls persoonlijkheid.' Dat moest wel,
weet u, er kwamen zomaar opeens precies dezelfde gedachten op bij verschillende
mensen en dergelijke. Dat kon niet, het moest op de een of andere manier
verklaard worden. Het waren hints van de schrijver dat er meer aan de hand was
dan men op het eerste gezicht zou zeggen, zeg maar. Bovendien kwamen sommige
zinnen zomaar uit de lucht vallen, die hoorden bij niemand. Er was geen alwetende
verteller die me bij de hand nam, terwijl ik dat toch zo hard nodig had om niet
de weg kwijt te raken in dit doolhof van volzinnen. Maar ik dacht: vroeg of
laat valt er ordening in de taal. En dan zijn we eruit. Het moest iets complex,
iets heel erg dieps, zijn, dat wist ik zeker. Dat proberen Nederlandse
schrijvers namelijk wel vaker na te streven.
T: En? Slaagde je erin
de essentie eruit halen?
L: Nee, dat was juist zo
frustrerend. Ik bedoel, het was wel duidelijk dat je als lezer niet gewoon het
verhaal moest lezen zoals het er stond. Je moest interpreteren. Maar het lukte
niet. Ik kreeg geen samenhang, geen closure.
Het bleef een verzameling personages met onduidelijke onderlinge verbanden die
schijnbaar onsamenhangende verhalen vertelden en vage herinneringen ophaalden.
En dan dat zogenaamde einde. Het was vreselijk. Geen idee wat ik er mee
aanmoet. Uiteindelijk pleegde Jeanette zelfmoord,
helemaal gek was ze inmiddels, en Carl en Eveline kregen een relatie. Maar wat de diepere betekenis
van dit alles was, ontging me volledig. Misschien ligt het aan mij, hoor, maar
er komen de meest leugenachtige gedachtenstromen uit
dat boek. Valse leugens. Achterklap. Verdachtmakingen. Die vervloekte Joost Niemöller mag iemand anders gek gaan maken met z'n mooie,
ingewikkelde praatjes.
T: Hmm.
Als ik het goed begrijp saboteerde de schrijver voor de lezer dus willens en
wetens iedere mogelijkheid om tot een coherent, objectief beeld van het
gebeurde te komen? Hij problematiseerde zijn eigen vertellen en de zogenaamde
werkelijkheid?
L: Eh...
goh, ja, als u het zo wilt stellen.
T: Kwamen er ook boeken
ter sprake in de roman?
L: Eh,
ja, van Marcuse,Yolanda, Diekstra en Guéhnogwat onder
andere. Boeken speelden een grote rol, ze trokken gedachtenstromen
aan of straalden die uit. Hoe verzin je het eigenlijk, hè?
T: Aha,
intertekstualiteit, ik had al zo'n vermoeden!
L: Kunt u daar iets mee?
Wordt u daar wijzer van, dokter?
T: Nou, uw symptomen
komen me erg bekend voor. Het lijkt er sterk op dat u slachtoffer bent geworden
van een postmoderne roman. Ik raad u aan vooral niet te veel na te denken over
de relativiteit van uw waarnemingen en u qua leesmateriaal voorlopig
uitsluitend te beperken tot makkelijk te behappen boeketreeks-romans.
L: Dank u, dokter, dat
is heldere taal. Ziet u, dáár kan ik nou iets mee.
Joost Niemöller, De Therapie.
Uitgeverij Querido, Amsterdam 1997
© 2003 Steven van Lijnden